How big is Kleinste object zichtbaar met een lichtmicroscoop?
200 nanómetros!
Een gewone optische microscoop, een microscoop die met zichtbaar licht en glazen lenzen een beeld vormt, kan geen details tonen die kleiner zijn dan ongeveer 200 nanometer, oftewel 0,2 micrometer. Een nanometer is een miljardste van een meter en een micrometer is een miljoenste van een meter. Deze grens komt voort uit de manier waarop licht zich als golf gedraagt, en is bij benadering.
De grens gaat over het oplossend vermogen: de kortste afstand tussen twee punten die een microscoop nog als gescheiden kan tonen. Twee punten die dichter bij elkaar liggen dan die afstand, vloeien samen tot één vlek. De grens hangt niet af van de vergroting. Boven een vergroting van ongeveer 1.000 keer maakt verder vergroten het beeld groter, maar levert het geen extra details op.
In 1873 publiceerde de microscopist Ernst Abbe een vergelijking waaruit blijkt dat het oplossend vermogen afhangt van de golflengte van het licht. In het beste geval is die afstand ongeveer de helft van de golflengte. Een veelgebruikte vorm van de berekening deelt de golflengte door tweemaal de numerieke apertuur, een getal dat aangeeft hoeveel licht de lens opvangt.
De beste lenzen kijken door een druppel olie en bereiken een numerieke apertuur van ongeveer 1,4. Met groen licht, met een golflengte van 550 nanometer, kunnen ze details onderscheiden die ongeveer 0,2 micrometer uit elkaar liggen. Met rood licht, 700 nanometer lang, geeft dezelfde soort berekening een grovere grens, en met violet licht een fijnere.
De grens gaat over details, niet over de vraag of je iets überhaupt kunt waarnemen. Een enkel molecuul dat oplicht, kan in een gewone microscoop als een lichtvlek zichtbaar zijn, als het meer dan 0,2 micrometer van elk ander oplichtend molecuul verwijderd is. De vlek is uitgesmeerd tot de grootte van de grens, dus de vlek laat zien waar het molecuul is, maar niet hoe het eruitziet.
Kortere golflengten geven fijnere details. Microscopen die nabij-ultraviolet licht gebruiken, kunnen kleinere details onderscheiden dan microscopen met zichtbaar licht. Elektronenmicroscopen gaan veel verder. De elektronen die ze gebruiken, gedragen zich als golven met een golflengte van ongeveer 0,005 nanometer, veel korter dan die van licht.
Het grootste deel van de 20e eeuw geloofden wetenschappers dat optische microscopen nooit iets kleiners dan ongeveer 0,2 micrometer zouden kunnen tonen. Stefan Hell stelde in 1994 een manier voor om de grens te omzeilen en liet in 2000 zien dat die werkt. Zijn methode gebruikt één lichtpuls om moleculen te laten oplichten en een tweede, ringvormige laserstraal om alle moleculen uit te schakelen behalve die in een piepklein plekje.
W. E. Moerner en Eric Betzig ontwikkelden een andere methode, die telkens maar een paar oplichtende moleculen aanzet en veel beelden combineert. De drie deelden in 2014 de Nobelprijs voor de Scheikunde “voor de ontwikkeling van fluorescentiemicroscopie met superresolutie”. In de woorden van de Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen, die de prijs toekent, betekent hun werk dat “microscopie nanoscopie is geworden”.